Kunnen wij hier misschien iets eten?

Kunnen wij hier misschien iets eten?

In veel branches gebruiken ze de gastvrijheid van de horeca als voorbeeld voor de hospitality van hun eigen medewerkers. Terecht in veel gevallen, maar soms ontmoet je iemand in de horeca waarvan je denkt; heeft diegene wel goed opgelet tijdens zijn opleiding?

De Waddeneilanden zijn altijd leuk. Als ik op de boot zit naar een van de eilanden heb ik het gevoel dat ik al een week van huis ben: vakantie dus! Het is er heerlijk in de zomer maar wat mij betreft ook prima voor de rest van het jaar. Toen ik er een keer, samen met mijn partner, in het voorjaar was hadden we behoorlijk slecht weer. Windstoten en regen, zeker drie van de vier dagen. We gingen daarom op zoek naar overdekt vertier en beperkten onze fietstochten tot een minimum. De laatste avond wilden we lekker uit eten gaan om samen de minivakantie stijlvol af te sluiten. Eerst lekker onder de douche, nette kleren aan, beetje optutten en wij op weg naar onze fietsen. Bij de buitendeur van het hotel aangekomen keken we elkaar aan met een blik van; nee, met dit weer gaan we toch maar niet naar buiten…

Het alternatief was even duidelijk als dichtbij; het restaurant van het hotel. We liepen naar de ontvangstdesk die je ongetwijfeld wel kent van het ontbijt in hotels. Hier viel mijn nieuwsgierig oog op een vel papier waar tafel- en kamernummers waren opgeschreven. Het duurde vrij lang tot wij opgemerkt waren en er een ober naar de desk kwam lopen. Hij keek ietwat bezorgd op een manier zoals iemand kijkt die de drukte even niet de baas kan.

“Goedenavond” begin ik spontaan in een poging om hem wat op te vrolijken. “Wat kan ik voor u doen?” vraagt hij beleefd. Ik vind dat ik de taak heb om zijn humeur een positieve boost te geven dus ik zeg net niet overdreven vrolijk: “U vindt het wellicht een rare vraag, maar kunnen wij hier misschien iets eten?” Het valt heel even stil, waarna hij vervolgt met een stukje negatieve vraagstelling: “U heeft zeker niet gereserveerd?” “Nee, dat hebben we niet, moet dat dan?” Deze valt niet heel goed maar ik heb iets tegen reserveren. Dat ligt aan mij en dat weet ik. Ik wil ergens gewoon spontaan naar binnen kunnen lopen op een moment dat ik dat zelf wil. Bij de kapper, bij de garage, bij de fietsenmaker en bij een restaurant. En ik weet dat er een zeker risico inzit, zeker bij de kapper. De ober ziet mij denken en legt daarom nog even uit waarom hij deze vraag stelt. “Nou, dat maakt het voor ons wel makkelijker, dan weten we hoeveel gasten er op een avond gaan komen.” Ja, lekker dan denk ik bij mezelf, dat wil ik ook wel. Als je alles van tevoren weet had ik vijf jaar geleden mijn hypotheekrente ook niet vastgezet voor tien jaar.

Ik laat me door deze opmerking niet uit het veld slaan en besluit me te richten op het doel van ons bezoek: “Heeft u een tafel vrij voor 2 personen”? “Nee” antwoordt de ober somber “Op dit moment niet”. Nu komt de trainer in mij naar boven: “Wanneer dan wel, denkt u?”. Het lijkt wel of deze ober ook stiekem trainer is en besloten heeft met mij het ultieme rollenspel aan te gaan “Nou, dat kan nog wel 20 minuten duren” zegt hij streng terwijl hij over zijn schouder de bezetting in het restaurant checkt. “Dus als u over een klein half uurtje nog eens terugkomt….” Nu wordt het menens wat mij betreft. Ik zie ons al een half uur op onze hotelkamer zitten, dat lijkt me een slecht idee. Ik kijk snel om me heen en stel het volgende voor: “Die tafel daar, is dat de stamtafel?” vraag ik terwijl ik wijs naar een grote tafel met in het midden zo’n standaard waar de leesmap uitgestald ligt. “Jazeker” antwoord de ober. “Mooi zo” zeg ik op een toon van iemand die de zaak af wil gaan ronden. “Wat dacht u ervan als mijn vrouw en ik daar eens even plaatsnemen. U brengt ons dan een droge witte wijn en een biertje en als er een tafel vrij is komt u ons een seintje geven, afgesproken?” Heel even lijkt het erop alsof ik de ober aan het wankelen heb gebracht met mijn daadkrachtige optreden maar dat slaat al snel om in een positieve “we zijn eruit” stemming. “Prima, een droge witte wijn en een biertje, komt eraan meneer!” Terwijl we gaan zitten stel ik mezelf de vraag; hoe mooi zou het zijn als de ontvangst hieraan zou voelen als een warm bad? Zeker met dit weer!

Auteur: Hans de Winkel